CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Dit artikel verscheen eerder in Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie, nr 2008/2

Ouderen, oudsten, ouderlingen

De derde leeftijd in de Schriften

 

In de hele Bijbel, van Genesis tot Openbaring toe, komen we >oudsten= tegen. In de Nederlandse vertalingen komt die meervoudsvorm ongeveer 220 maal voor. In het Oude Testament is het de weergave van ziq=nim, in het Nieuwe Testament van presbuteroi. Door de talen heen beklimmen we dus de trappen van vergelijking: de Hebreeuwse >ouden= worden in het Grieks >ouderen= en in het Nederlands >oudsten=. Opvallend is ook dat het Hebreeuwse enkelvoud zaqen niet met >oudste= vertaald wordt, maar meestal met >grijsaard=. Ook zijn er teksten waarover de vertalingen van mening verschillen: gaat het om bejaarden of om oudsten? Met andere woorden, gaat het om een leeftijd of om een functie?

Wat begon als aanduiding van een leeftijdscategorie, is in de loop van de bijbelse tijd, maar vooral ook daarna, langzamerhand geformaliseerd en gefunctionaliseerd. Zozeer, dat bijvoorbeeld protestanten opgetogen kunnen spreken over jonge ouderlingen zonder dat er iemand in de lach schiet, terwijl het toch nťt zo=n rare constructie is als de >oudere jongeren= van Kees van Kooten.

In dit artikel wil ik graag terug naar het besef dat het bij de bijbelse >oudsten= over het algemeen ťcht over de ouderen gaat. Het is eerst een leeftijd, vervolgens een status en pas daarna een functie. Nergens in de Bijbel is die functie helder omschreven of afgebakend. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de vanzelfsprekendheid van het feit dat ouderen representatief optraden voor de gemeenschap. Dat deden ze ook in de omliggende volken en ze doen het nog in een groot deel van de wereld, overal waar de familie of clan de basis is voor het gemeenschapsleven. In de Bijbel komen we ook de oudsten van Egypte, Midjan, Moab en Gibeon tegen.

We lezen nergens iets over leeftijd of criteria op grond waarvan iemand wordt gerekend tot de ouderen. De groep is breed, de functies kunnen zich in grotere verbanden toespitsen op bepaalde vertegenwoordigers ervan. Mozes kiest uit het geheel van de oudsten of ouderen van IsraŽl zeventig oudsten die hem terzijde zullen staan. Er wordt niet verteld hoe Mozes zijn keuze maakte, door wat voor overwegingen hij zich liet leiden. In ieder geval formeerde hij geen jong en veerkrachtig team, zoals wij hem misschien zouden adviseren. Hij koos zeventig ouden uit de ouden van IsraŽl.

We lezen over familie-oudsten, stadsoudsten, volksoudsten, oudsten van de priesters, van de ballingen. Als de zoon van Batseba is overleden (2 Sam. 12), gaan de >oudsten van het huis= naar de vastende David om hem tot eten te bewegen: misschien zijn dat naast mogelijke oude familieleden wel een soort gepensioneerde hovelingen geweest, vertrouwd met het huis en de familie maar te oud om nog dienst te doen.

Ik neem aan dat >oudste= een vloeiend begrip is: het respect voor de leeftijd geeft iemand een stem in beraadslagingen, en natuurlijk gezag of andere vormen van overwicht zorgen ervoor dat de ťne oudere zich in de bredere kring van stad of volk meer als >oudste= profileert dan de andere. Pas heel laat komen we een formeler soort oudsten tegen, namelijk de stemhebbende leden van het Jeruzalemse sanhedrin als wel-omschreven bestuursorgaan. In de laatste eeuwen vůůr het jaar 70 hebben in deze raad naast de priesters ook vertegenwoordigers van een aantal invloedrijke families zitting, en deze niet-priesterlijke raadsleden werden oudsten genoemd. Vandaar de vele keren dat de evangelisten spreken over >de overpriesters en oudsten=.

Er worden geen leeftijden genoemd, maar afgaande op het woordgebruik ga ik ervan uit dat het steeds ouderen betreft. Het gaat om de derde leeftijd, om mensen die de jeugd en het volwassen leven doorlopen hebben, mensen die vroeger met nu kunnen vergelijken.

Vaak worden de oudsten opsommenderwijs samen genoemd met andere leidende of besturende instanties. Ik noem slechts enkele voorbeelden: >stamhoofden, oudsten, schrijvers= (Deut 29:10), >oudsten, schrijvers, rechters, priesters= (Joz 8:33), >oudsten, hoofden, rechters, schrijvers= (Joz 23:2), >maarschalk, gouverneur, oudsten, voogden= (2 Kon 10:5), >priesters, levieten, familiehoofden, oudsten (Ezra 3:12). De opsomming die we uit de evangeliŽn kennen, bijvoorbeeld als >oudsten, overpriesters en schriftgeleerden=, klinkt dan heel vertrouwd, vooral als je bedenkt dat de >schrijvers= in de lijstjes van Deuteronomium en Jozua overeenkomen met de >schriftgeleerden= in de evangeliŽn: beide zijn grammateis (Hebr. sjoterim). De opsommingen zijn een schriftuurlijke manier om de erkende representanten van de gemeenschap aan te duiden.

Maar het is vooral boeiend om verhalende en wetgevende teksten te lezen waarin de oudsten een eigen rol spelen, en zo een beeld bijeen te sprokkelen van hun functioneren. Je kon ze vinden in de poort, niet zomaar een >hangplek voor ouderen= maar de plaats waar het nieuws binnenkwam en waar de binnenruimte werd afgegrensd van de buitenwereld. Daar werd beraadslaagd, er werden rechtshandelingen bezegeld en er werd recht gesproken (Deut 21:19; Joz 20:4, Ruth 4, Spr 31:23). Boaz kan er tien mannen uit de oudsten kiezen als getuigen voor zijn huwelijk met Ruth, wat het beeld oproept van een ruime kring van ouderen die daar min of meer permanent te vinden zijn, net als de vrijgestelde en mogelijk ook niet meer zo jonge echtgenoot van de ideale zakenvrouw uit Spreuken 31.

Toch leidden de oudsten niet zomaar een zittend bestaan, want bij allerlei gelegenheden moesten ze er als representanten van hun gemeenschap op uit, bij wijze van delegatie. De oudsten van Egypte gaan mee bij de begrafenis van Jacob (Gen 50:7). De oudsten van Gilead gaan Jefta terughalen die door de jongvolwassen generatie de stad is uitgejaagd: nu ze hem als krijgsheer nodig hebben, gaan de oudsten spijt betuigen en beterschap beloven (Re 11:5). De oudsten van IsraŽl gaan naar Hebron om een verbond met David te sluiten zodat hij hun koning wordt (2 Sam 5:3). Als representanten van al IsraŽls families liepen gedelegeerde oudsten mee in de processie die de verbondsark naar de nieuwe tempel bracht (1 Kon 8:1-3). Jeremia neemt bij zijn symbolische handelingen een aantal oudsten mee om er getuige van te zijn (Jer 19:1).

Indrukwekkend, zeker vanuit onze modern-westerse visie, is dat de oudsten verantwoordelijkheid nemen voor wat de andere generaties van hun gemeenschap doen of nalaten. Dat is niet alleen zo in het genoemde geval van Jefta: het ritueel van het zondoffer, voor de onbewust begane overtredingen, eist dat de >ouden= hun handen op de kop van de offerstier leggen om het besef van schuld te symboliseren (Lev 4:15).

Met de oudsten wordt beraadslaagd, en zij roepen zo nodig het bredere beraad van heel het volk samen. Zij zijn degenen die zich vorige tijden nog kunnen herinneren. In Ezra 3:12 huilen de familiehoofden en oudsten terwijl de rest van het volk juicht bij de herbouw van de tempel: zij herinneren zich de oude tempel B wat impliciet aangeeft dat >familiehoofden en oudsten= inderdaad oudere mensen zijn, want hun herinnering overbrugt in dit verhaal een tijdsspanne van minstens enkele tientallen jaren.

De manier waarop in de eerste verzen van het boekje JoŽl de oudsten worden aangesproken, appelleert aan hun functie om zich vroeger tijden te herinneren en hun kennis aan latere generaties door te geven.

Bij EzechiŽl komen we terloops enkele treffende typeringen tegen van het functioneren van oudsten. In hoofdstuk 27 wordt de stad Tyrus voorgesteld als een schip. De vorsten zijn roeiers, de wijzen roergangers, en de oudsten zijn de scheepstimmerlui, dus de onderhoudsploeg die de goede staat van het schip bewaakt. En in 7:26 lezen we: >vergeefs vragen ze profeten om een openbaring, priesters om onderricht, oudsten om raad= B waarmee wordt aangegeven waarvoor je normaal gesproken bij wie terecht kunt.

De status van de oudere generatie en het bijbehorende respect waren vanzelfsprekend, maar natuurlijk waren ouderen en oudsten niet altijd wijs en was hun raad niet per definitie juist. Elifaz zegt in Job 32 dat hij de oudere vrienden van Job eerst heeft laten uitspreken omdat van hen krachtens hun leeftijd wijsheid verwacht mag worden. Maar nu neemt hij als jongere het woord, omdat een verstandig oordeel niet aan de jaren ontspringt, maar aan God. Ook de auteur van Psalm 119 in vers 100 stelt dat hij de oudsten in inzicht overtreft omdat hij Gods inzettingen nauwlettend in acht neemt, en in Prediker 4:13 wordt de voorkeur gegeven aan een jonge armoedzaaier die wijs is boven een oude koning die dwaas is. Blijkbaar leert de ervaring dat ouderen de wijsheid niet zonder meer in pacht hebben.

 

Het is niet gemakkelijk te zeggen in hoeverre de oudsten in het Nieuwe Testament ook nog per definitie ouderen in leeftijd zijn. In de evangeliŽn lijkt de term >oudsten= doorgaans te duiden op de niet-priesterlijke leden van het Jeruzalemse sanhedrin, en gaat het dus om een functie die slechts door een select aantal personen wordt bekleed. Het is te verwachten dat die personen doorgaans ook op leeftijd waren, maar we weten niet in hoeverre de term >oudste= al van het leeftijds-aspect was losgegroeid.

Parallel aan de >overpriesters en oudsten= van het sanhedrin is er in Handelingen 15-16 tot vijfmaal toe sprake van de >apostelen en oudsten= van de Jeruzalemse gemeente. We lezen verder dat in alle gemeenten oudsten worden aangesteld. Ook hier lijkt het vooral om de functie te gaan en minder om de leeftijd. Toch zijn er uitlatingen die suggereren dat oudsten inderdaad op jaren waren. In 1 Petrus 5 worden na de leidinggevende presbuteroi de neŰteroi aangesproken die hen moeten gehoorzamen: het gaat om senioren en junioren. In 1 TimoteŁs 5:17 wordt gesteld dat goed-besturende presbuteroi dubbel respect verdienen. Daarmee moet wel bedoeld zijn dat ze zowel vanwege hun leeftijd als vanwege hun goede leiding eerbiedwaardig zijn (en niet, zoals de NBV modern-westers interpreteert, dat ze hun geld dubbel en dwars waard zijn). En de eisen waaraan volgens Titus 1:5-6 presbuteroi moeten voldoen, geven de indruk dat voor de functie van gemeente-oudsten goed functionerende familie-oudsten in aanmerking komen, van wie de volwassen kinderen niet in opspraak zijn. Zulke oudsten, dus bijna per definitie ook fysiek ouderen, geven leiding aan de gemeenten en representeren die. Net als de oudtestamentische oudsten moesten ze soms op stap, bijvoorbeeld van Efese naar Milete om Paulus te ontmoeten, of naar een zieke om die onder gebed de handen op te leggen.

 

De plaats van ouderen als oudsten in de vroege christelijke kerk verdient aandacht, omdat in onze kerken tegenwoordig veel geklaagd wordt over vergrijzing en geroepen om verjonging. Er wordt met afgunst gekeken naar kerkbesturen met een lage gemiddelde leeftijd, met >jonge oudsten=.

Misschien speelt hier ook een rol dat het verhaal van Jezus in de evangeliŽn leest als een jongerenbeweging. Jezus zelf is niet oud geworden, en hij verzamelt jonge leerlingen (JŁnger in het Duits) om zich heen. Tegenover de zeventig oudsten van Mozes lijken de zeventig jongelui te staan die Jezus eropuit stuurt.

Maar als de christelijke gemeenten ontstaan en de woorden van de getuigen geboekstaafd worden, zijn precies die >jongeren= van Jezus zelf ouderen geworden die aan jongere generaties doorgeven wat ze hebben gezien en gehoord. En met name Johannes tekent Jezus als degene die weliswaar nog geen vijftig was, maar die aan Abraham voorafgaat (8:56v), getuige van het oerbegin was, dus eigenlijk de oudste aller oudsten.

 

We zeggen tegenwoordig in de kerk vaak dat de jeugd de toekomst heeft, maar in bijbelse tijden zijn met name de ouderen, als doorgevers van traditie, de waarborg voor continuÔteit. Met hun kennis van het verleden kunnen ze de boog naar de toekomst spannen.

Dat geldt nog altijd. Het is opvallend hoe vaak organisaties die streven naar een jong en fris management, de lange termijn uit het oog verliezen doordat ze mikken op het snelle succes. De jeugd heeft statistisch gezien meer tijd, maar de ouderdom heeft een langere adem.

Henk Mali, oud-directeur van de Rotterdamse kunst-educatiestichting SKVR, muntte in zijn afscheidsrede in 2005 de hoopvolle term verzilvering als vervanger voor het troosteloze woord vergrijzing: >Niet het spook van de vergrijzing waart door Nederland, zoals politici overal beweren. Ouder worden is verzilveren, ook voor de samenleving. Als mens verzilver je je levenservaring en als de samenleving diezelfde levenservaring weet te verzilveren, dan worden we er allemaal beter van=.

Dat kan ook in de christelijke gemeente geldend worden gemaakt. Dan kent de gemeente bejaarde ouderlingen, niet omdat er nu eenmaal geen jongeren zijn, maar omdat het ambt en de leeftijd op natuurlijke wijze bijeen horen. Dat vergt, net als in bijbelse tijden, wťl een betrokkenheid van de senioren die zij vandaag lang niet altijd opbrengen. Ze hoeven zich niet per se de moderne digitale infrastructuur eigen te maken, maar ze moeten zich vooral mee verantwoordelijk weten voor de wereld zoals die nu is en voor de jongere generaties. Ze moeten zich niet in ouderenbelangen verschansen, maar zich samen met jongere generaties de toekomst voorstellen. Ze belichamen in de gemeente de stroom van de tijd en ze zijn geloofwaardig als ze zich niet schrap zetten, maar in die stroom mee durven gaan. Waar ze dat doen, zijn ouderen dikwijls progressiever dan de jeugd en durven ze verder te kijken.

De christelijke kerk is net als de synagoge een gemeenschap waarin de drie leeftijden elk met hun eigen kracht samenzijn en samen worden opgetild tot een realiteit die hen allen overstijgt. Dat wordt kernachtig geformuleerd in JoŽl 3 en dan weer geciteerd in Handelingen 2 waar de kerk ontstaat: de dromen van de ouderen en de visioenen van de jongeren komen er samen.

In de bijbel is 1 Koningen 12 misschien wel het meest alarmerende verhaal over de segregatie tussen de leeftijden die ook onze tijd bedreigt. Daar valt het Davidische rijk uiteen doordat de jonge koning luistert naar leeftijdgenoten en niet naar ouderen. Niet het gelijk van de ouderen, maar het gesprek tussen de leeftijden is in kerk en samenleving een behoudende kracht.

 

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl